Als "Fransman" naar de Marne Streek

Als “Fransman” naar de Marne Streek

1.Grootvader Alois Debou was een “Fransman”

Kort na de oorlog vanaf mei 1945 woonden moeder en de kinderen zowat anderhalf jaar in Koekelare dicht bij haar ouderlijk huis. Ik zat in het vierde leerjaar en ging naar de vrije jongensschool dicht in de buurt. Na schooltijd kwam ik geregeld langs voor een praatje, vooral met grootmoeder. Grootvader Alois Debou was net met pensioen medio 1946 toen we alweer verhuisden, dit keer naar Sint-Pieterskapelle waar ik het nieuwe schooljaar in het vijfde leerjaar kon beginnen..Daardoor heb ik met hem niet veel meer kunnen praten, alleen als we eens op bezoek kwamen met de tram via Leke naar Koekelare of in de vakantie eens met de fiets . In mei 1958 stierf grootvader.

Een zeldzame foto uit WOI met zicht op het woonhuis van Alois Debou (links met witte gevel) rechts de oude koetspoort van schrijver:schoolhoofd Pieter Lanssens , vooraan herberg en boerderij “Handbooghof”

Vallei van de Marne

“Peetje Kokelare” zoals we hem onder elkaar noemden was seizoensarbeider geweest in Frankrijk. Zelfs al van voor de Eerste Wereldoorlog ging hij bieten zetten of in de chicorei ast werken bij de rijke boeren daar en trok er met een “balluchon” (een bundel bagage ) voor een paar maanden naartoe .Voor de seizoenarbeiders bestond vanaf 1904 de zgn Fransmansgilde om hen bij te staan.

Zo verliep ongeveer de reis die grootvader voor de Eerste Wereldoorlog maakte: eerst met de tram van Koekelare naar het station van Brugge, dan de trein op richting Tourcoing en zo verder met de trein meestal naar de Marne streek .”De seizoenarbeiders kregen alleen bieten te zien: van april tot juni de bietenplantjes steken of hakken, de overtollige plantjes verwijderen zodat er maar eentje om de dertig centimeter staat, en van eind september tot december de rijpe bieten kappen of rooien. De dag begon al om vier à vijf uur ‘s morgens, “voordat de duvel zijn paneel schudt”, en duurde tot ‘s avonds laat. Hoe meer ze werkten, hoe meer ze verdienden, want ze werden per hectare betaald.”(1)

Alois Debou verbleef in Frankrijk als de Eerste Wereldoorlog uitbrak en kon toen niet meer terug. Moeder Lucie was in verwachting van haar eerste kind, onze moeder, geboren op 21 januari 1915. Hij zag haar voor het eerst, pas na de oorlog als ze al drie jaar oud was!

Zicht op het plein voor CC de ” Baluchon”

Tegenwoordig heeft Koekelare een museum opgericht voor de “Fransmans” waarvan er veel uit Koekelare kwamen, een streek met veel werkloosheid. Later is er ook een monument opgericht voor hen in de buurt van de kerk. Het nieuwe cultureel centrum ” De Balluchon”heeft zijn naam ook daarvan gekregen.

2.Eeuw van de armoede

Hoe komt het dat grootvader zo ver weg werk moest zoeken?
Ook hier net als bij grootmoeder Lucie Elslander zien we een geleidelijke verarming van de Debou generatie in de loop van de 19de eeuw door allerlei factoren waaronder de aardappelziekte in de
landbouw en de mislukte graanoogsten.

Zicht op de herberg “De kroon” tijdens de Eerste Wereldoorlog

Zijn overgrootvader Pieter Debou (1775-1824) was kuiper brouwer en ook uitbater van de herberg “De Kroon” op het marktplein vlak bij de kerk. Na zijn dood werd de herberg verkocht.(2)

De oorspronkelijke herberg “De hertog van Arenberg” voor de Eerste Wereldoorlog
met de roepsteen om mededelingen te doen van de gemeente. Rechts de herberg “De Kroon”


Een van zijn zoons, ook een Pieter Debou (1801-1878) was herbergier en wagenmaker in de bekende herberg “De Hertog van Arenberg ”(1) genoemd naar de laatse adellijke bezitter van het Oost en Zuidleenhof . Hij zat ook gemeenteraadslid. Zijn zoon Désiré Debou (1846-1934) volgde zijn vader op in de herberg en was ook omroeper. De omroepsteen stond vlak voor zijn herberg die toen op het marktplein gelegen was. Op Paaszaterdag1918 werd het huis door de Duitsers gebombardeerd. De naam “De hertog van Arenberg” werd later gebruikt voor een restaurant-cafe in de Moerestraat en bestaat nog.(4)

Charles Debou onze overgrootvader


De grootvader van Alois was August Debou (1818-1886 ), hij moest zijn landbouwbedrijf in Vladslo wegens schulden opgeven en keerde terug naar Koekelare als landarbeider.

Alois’ vader Charles Debou (1850-1920) was eerst molenaarsknecht en werd later landarbeider. (2) en zo was grootvader zelf ook landarbeider geworden.

3.De Fransmans

“Hoe kwamen eenvoudige boerenjongens terecht in het verre Frankrijk? Vaak vertrokken de arbeiders op goed geluk naar het zuiden. Wanneer arbeider en boer tevreden waren, wisselden ze gegevens uit voor het volgende jaar. Zij die een mondje Frans praatten werden vaak baas. Ze kregen in het voorjaar nieuws van de Franse boer en ronselden nadien enkele mannen in het dorp. Vaak ging het om familie, vrienden, buren of kennissen. Het enige houvast was de brief of postkaart die de boer naar België stuurde met daarin het aantal hectaren, de voorwaarden en een begindatum. Pas na de Eerste Wereldoorlog werd het schriftelijk contract verplicht.
Later verschenen ook plaatsingsbureaus op het toneel. Deze interimbureaus avant la lettre stonden in contact met de boer en Belgische ronselaars of tussenpersonen. In vele gevallen was de dorpspastoor de tussenpersoon.(1)”

Grootoom Cyriel Elslander (tweede van links) werkzaam bij brouwerij Lootens in Koekelare

Onze grootmoeders broer Cyriel Elslander die bierhandelaar was in Koekelare vervoerde voor de Tweede Wereldoorlog al seizoensarbeiders met zijn rode Bedford vrachtwagen naar Tourcoing. Het zou best kunnen dat grootvader op het laatst ook met hem meeging. Philip Descamps die getrouwd was met Mariette Elslander, dochter van Cyriel zette de handel verder en kocht later een Renault busje met 14 zitplaatsen; zijn busje heette Roodkapje vanwege het rode dak. Hij deed soms vier ritten per dag in het hoogseizoen. Toen de seizoensarbeid verminderde schakelden ze over op leerlingen vervoer.

4.

4.Het Fransmansmuseum

De oude brouwerij Christiaen werd later museum

“Bij de ingang van het Fransmansmuseum hangt een uitvergrote brief die zo eindigt: “We wensen dat er nooit niemand van jullie, ooit nog om den brode dat zelfde werk moet doen. Wij hebben het vervloekt en afgezworen, maar wat jullie van nu zouden doen in dezelfde omstandigheden, dat weten we niet. Beeteman.” De toon is meteen gezet.
 
Voor de verarmde Vlamingen bood het succes van de suikerbiet vanaf de tweede helft van de negentiende eeuw weer een toekomst. In Frankrijk was er veel werkvolk nodig op de bietenvelden en in de suikerfabrieken, maar ook in de cichorei asten, steenbakkerijen en bij de vlasoogst. De Franse boeren en suikerfabrikanten zagen de seizoenarbeiders graag komen. Vlamingen waren bereid om zeer hard te werken, tot ze er bij neervielen in sommige gevallen.

Van de bleke grond die de zon weerkaatste kregen ze gezwollen ogen. Een staaltje aarde van een bietenveld uit het Franse Livry-Luvercy werd naar het museum overgebracht.
 
In Door Arm Vlaanderen (1903) van Auguste De Winne lezen we dat de katholieke Kerk in Parijs de vereniging Werk van de Vlaamse arbeiders had opgericht met het doel Vlaamse priesters te sturen naar de dorpen waar de Fransmans werkten, ze waren immers “een belangrijke kiezersgroep”: “Zo waakt de kerk met een jaloerse zorg over het behoud van haar macht. Als de ellende ze uit hun huis jaagt, achtervolgt de kerk ze tot in het buitenland, niet zozeer om ze materieel te ondersteunen, maar wel om te beletten dat ze aan haar invloed ontsnappen.”
 

het “Fransmansmuseum “in Koekelare

De povere slaapbarak in het museum moet de bezoekers een idee geven van de cafard of de moederziekte, als de heimwee opstak. Met hun ‘boerenfrans’ konden ze net genoeg Frans om “tegen de bieten te klappen.” Buiten een kaartje leggen en naar de voettocht Parijs-Straatsburg gaan kijken was er niet veel vertier: “Vrouwen, die zaten in de Folies Bergère. Hier was het nog slechter dan thuis. Werken, werken, werken.” Daarom hadden ze toch veel aan pastertje De Jaeger, die hen deed huilen als hij ze over thuis sprak, maar daarna ook weer deed lachen. Je hoort nog een flamboyante toespraak van hem waarin hij een dialoog met een bietenman navertelt.

Veel brieven zijn onleesbaar geworden, maar het feit dat ze hun weg naar het museum vonden, bewijst dat ze lang werden gekoesterd. Verder zijn er nog officiële brieven van de plaçeurs, die voor de Franse boeren ronselden, loonboekjes, huisvestingsverslagen. Foto’s zijn er van vertrekkende Fransmans met de balluchon en van huldigingen van astmannen die er tot veertig jaar campagnes hadden opzitten. De seizoenarbeid wordt weergegeven in schilderijen, tekeningen, houten bas-reliëfs en in de stenen beeldengroep De Tjoolders van Willem Vermandere.”(3)

5.Bronnen

1.Dirk Musschoot “Van franschmans en walenmannen, vlaamse seizoenarbeiders …
2.Rik Debou” De Koekelaarse tak van de familie Debou”
3.Inventaris onroerend erfgoed
4.Over de hertogen van Arenberg zie mijn post “Christiaen”

Noot : Door de Corona beperkingen was het niet mogelijk sommige bronnen ter plaatse te raadplegen, hopelijk kan dat later aangevuld worden.