Een kind in Zande tijdens  de Eerste Wereldoorlog

Een kind in Zande tijdens de Eerste Wereldoorlog

Grootvader Alfons Vandenbussche


Inleiding

In de jaren negentig van de vorige eeuw ging ik af en toe praten met vader Georges, oom Odiel en de tantes Maria en Godelieve Vandenbussche over de tijd van toen. Het zijn verhalen over de periode van kort voor de eerste WO tot kort erna, de periode dat Georges nog thuis woonde in Zande. Ik maakte toen telkens wat notities over deze gesprekken. Ik heb ze nu wat chronologisch gerangschikt en er een hopelijk leesbaar verhaal van gemaakt met een aantal illustraties die voor het archief nuttig kunnen zijn.

gezin Alfons Vandenbussche rond 1922 oudste foto vlnr Maurits Irma Martha Judith Marcel Margriet René Georges Maria Alfons Odiel

Onze grootouders waren niet erg spraakzaam over hun verleden en in mijn jeugdjaren was ik daar eerlijk gezegd ook niet zo in geïnteresseerd. Nu blijken hun onrechtstreekse getuigenissen een spiegel van een vergane tijd, een tijd van armoede en hard labeur waarin ze een kinderrijk gezin moesten grootbrengen. Door hun diep christelijk geloof vonden ze steeds de kracht om vol te houden in die moeilijke tijden.

Het begin

Weg Zevekote Sint-Pieterskapelle (Duitse oorlogsfoto)

doodsprentje Rosalie Vanhille, moeder van Alfons

detailkaart Zevekote Zande

In het laatste kwart van de 19de eeuw waren Zevekote en Zande toen dorpen van een 600 tal inwoners. Nu is Zevekote deelgemeente van Gistel geworden en Zande van Koekelare.
Grootvader Alfons Vandenbussche was een boerenwerkman, geboren in Zevekote in 1879 uit een verarmde landbouwersfamilie. Zijn vader Franciscus was getrouwd met Rosalie Vanhille in 1874. De moeder van Alfons stierf toen hij pas 14 jaar was.

Kerk Zande in heropbouw 1912

Op 28-jarige leeftijd trouwde hij op16 januari 1907 met Irma Duinslaeger, een werkster uit Zande. Zij was daar geboren op 20 maart 1886 en was de jongste dochter van Isidoor Duinslaeger, een tuinier in de oorspronkelijke betekenis van het woord: omheiningen planten en vlechten. Na hun trouw gingen Irma en Alfons buiten het centrum van het dorp Zande wonen, waar ze een keuterboerderijtje overnamen van de familie Duinslaeger. Het lag in een landwegje tussen de dorpskern en de weg naar Sint-Pieterskapelle. In de winter lag de wegel vaak vol modder. Wat verder in de richting van de Zandeweg naar Kapelle lag de grote boerderij Vanoverberghe waar grootvader dagloner was.
Nog in datzelfde jaar, op elf april kregen ze hun eerste kind, dochter Judith .
Waar de kinderen gedoopt werden weet ik niet want bij herstellingswerken aan de vieringpijlers van de Sint-Andrieskerk stortte de toren in op 4 december 1903. Hierdoor werd het grootste deel van de kerk vernietigd..Pas in 1910-1911 werd de kerk herbouwd naar het uitzicht van de vroegere 13de-eeuwse vroeg gotische kerk. Misschien was er toch een deel va nee kerk bruikbaar voor de eredienst …

Georges werd een jaar later op 19 juni 1908 geboren, Odiel in 1910 en in 1911 Maurits .Een paar meisjes met de naam Margriet zijn al kort na de geboorte gestorven.
Als een van de kinderen stierf zat Irma ermee op schoot en weende erbij ,de andere kinderen zaten er ook bij …God geeft en neemt…De timmerman maakte een kistje en met het kistje onder de mantel ging Irma dan naar de kerk voor de engelenbegrafenis. Vader kon geen tijd verliezen voor zijn werk op de boerderij hij was er dus niet bij …
Zo kwam er bijna ieder jaar een kindje bij en in 1916 werd een derde dochtertje Margriet geboren die nu wel in leven bleef. Na iedere geboorte moest grootmoeder Irma de “kerkgang” doen. Het was een christelijke gewoonte om na de geboorte van een kindje zich te laten “zuiveren” als de moeder voor het eerst weer naar de kerk ging. Het was ook gebruikelijk om een som geld onder het altaarkleed te schuiven voor de pastoor. Dat betekende voor vader Alfons dat hij ongeveer een dagloon moest afstaan voor de kerk. De pastoor was tevreden en vond hun gezin “een schoon menage”. Nonkel Odiel kon na al die jaren nog moeilijk verkroppen dat de priesters altijd aan de kant van het geld stonden en de rijke boeren voortrokken.

Hoeve Vanoverberghe

Elisa Duinslaeger

werklui op de boerderij Dallemet hun werktuigen uiterst rechts isidoor Duinslaeger

Boerderij Dalle: uiterts links Elisa Duinslaeger, uiterst rechts Henri Duinslager

Boerderij Dalle “Lustige kaarters” tweede van rechts Elisa Duinslaeger

De grote boerderij van Vanoverberge waar grootvader iedere dag ging werken was een tijdje voor de oorlog overgenomen van de rijke familie Dalle toen die “op hun goed “gingen leven en “Villa Dalle” bouwden in het centrum van Zevekote. Het nu beschermde gebouw is een een tijdje gemeentehuis geweest toen Zevekote nog een zelfstandige gemeente was. De Dalles hadden zich heel rijk “geboerd” en dachten van hun renten te kunnen leven maar na de Eerste Wereldoorlog door de devaluatie van de goudfrank naar papiergeld hadden ze veel geld verloren. Maar in de oude boerderij konden ze zich veel personeel veroorloven. Er waren ook familieleden bij van onze grootouders. Isidoor Duinslaeger was daar de tuinier en werd gewaardeerd als een erg goede vakman. Zijn ongetrouwde dochter Elisa en zus van Irma werkte daar als kokkin en een jongere zoon Henri was er de “poester” of
stalknecht. Op een foto van de familie Dalle poseerden ze er met hun werktuigen buiten op het erf. Op een andere foto poseert de boerin er met haar hondje, je bemerkt er ook Elisa met haar veegborstel en de jonge Henri met een geit. Hij was dan nog heel jong, hoogstens een jaar of achttien want het beroep van “poester” was alleen bestemd voor jonge kerels. Daarnaast staan twee knechten met een ton. Was het de biervoorraad? Elisa stond ook nog op een andere foto terwijl de dames Dalle aan het het kaarten waren in de tuin.
De pachtsom die grootvader moest betalen aan de “dis “voor zijn huisje en de gemeentegronden die hij bewerkte bedroeg 150 frank ‘s jaars. Hij verdiende voor de Eerste Wereldoorlog 1,25 frank per dag met zijn werk bij de boer. Hij moest dus alleen al voor de pacht een derde van het jaar gaan werken!
Zijn bedrijfje was te klein voor een paard, maar te groot voor een koe, een geit en varkens .Ze hadden veel gras nodig van de graskanten en hij mocht dat maaien van de boer op voorwaarde dat er een tegenprestatie geleverd werd. Voor het ploegen van zijn eigen stukje land moest hij een paard vragen en daarvoor moest hij het hele jaar beschikbaar zijn om op de dieren passen wanneer de boer eens weg wou, bijvoorbeeld met Zande kermis. Als Alfons het land moest “vetten” zorgde hij er altijd voor dat de kanten van het land goed bemest waren want dat was goed voor zijn “kantgras”…In de zomer maaide vader Alfons het gras af langs de Zandse steenweg en moeder Irma moest het dan keren en openleggen om te drogen. Naast haar drukke huishoudelijk werk als moeder moest ze ook nog de aardappelen rooien want vader kon die 1.25 frank daags niet missen.. Moeder droeg altijd een voorschoot dat ze met een lint toe knoopte. Als ze buiten ging maakte ze het los en bond er de huissleutel aan vast. Als de kleine Georges een jaar of vijf was moest hij in de kruiwagen zitten en zo meerijden naar het aardappelveld. Zo maakte hij al heel vroeg kennis met de natuur op het platteland.

Keuterboerderijtje Vandenbussche rond 1990

Het huisje in Zande waar vader Georges geboren is heb ik in de jaren 1990 nog met hem bezocht, het was toen al erg bouwvallig. We stapten binnen en zagen hoe klein het in feite was en we bekeken ook de balken waaronder de kinderen sliepen. Nu is het te veel veranderd, het is opgelapt en gemoderniseerd tot een “fermette”.
Ik hoorde hem toen met heimwee vertellen over zijn kinderjaren in dat huis en kon zijn verlangen voelen naar tijd waarin hij nog jong was. Ik vroeg me af hoe het mogelijk was om met al die kinderen daar te kunnen leven.. Er was dus heel weinig plaats om te slapen en te wonen, er stond een lange bank bij de tafel want er was geen plaats voor de stoelen. Tegenover het woonhuis stonden er een paar stallen voor de dieren. Er was ook een bakoven waar ze hun brood in konden bakken. De kleine graanoogst werd naar de molenaar in Zande gebracht en daar werd het gemalen.De houten windmolen in het centrum was toen voorzien van een olieslagerij en een bijhorende molenaars woning maar werd volledig afgebroken in 1930.

Als hun koetje ieder jaar een zestal weken geen melk gaf vroeg Irma op zondag na de mis aan boerin Vanoverberghe of de kinderen in de week om karnemelk mochten komen. De kleine Georges stapte dan met een waterketeltje naar de boerin. Hij had een aardappel op de tuit geplaatst tegen het morsen. Maar het paste die dag niet voor de boerin want ze had de karnemelk nodig voor de jonge zwijnen of op een andere keer wist ze te verzinnen dat de koeien ook droog stonden. Hij moest dan naar andere boerderijen in de buurt gaan smeken om melk. Hij weende er soms bij en hij kreeg dan uit compassie wat karnemelk. Dat heeft vader nooit kunnen vergeten en zijn soms harde kritiek op de boeren vindt daar wellicht zijn oorsprong.
Als pa een jaar of zes was kreeg hij voor zijn sinterklaas een eigen kruiwagentje en moeder liet hem maar vogels roven in de buurt. Er waren toen erg veel hagen rond de akkers en weiden. Rond het hof groeiden een tachtigtal wilgen en populieren, een paradijs voor vogels . Hij kwam terug met in het kruiwagentje een hele lading vogeljongen van alle soorten maar de katten waren er vlug mee weg. Zijn liefde voor het kweken van kanarievogels is wellicht daar ontstaan en misschien ook wel zijn afkeer voor katten…
Om de zes jaar knotte grootvader de wilgen voor brandhout en de kleine wissen bundels gebruikten ze om de oven aan te maken. Zo hadden ze veel minder dure steenkool nodig. Na de oorlog werd afgeraden nog bomen te planten omdat er dan minder opbrengst was van het land..

Vader had eens een jonge ekster getemd en die leerde hij zelfs spreken. Na schooltijd kwam de ekster hem altijd verwelkomen, maar op een dag kwam hij niet. In paniek vroeg hij aan moeder wat er gebeurd was en ze antwoordde dat vader bemerkt had dat de ekster een ei uit het kippennest had gezopen en dat kon natuurlijk niet. Zijn vader had de ekster onverbiddelijk de nek omgewrongen. De jonge Georges was ontroostbaar… langzamerhand besefte hij hoe hard het leven kon zijn voor een groot gezin van boerenarbeiders.
Ongeveer hetzelfde gebeurde later ook met hun hond Max, een heel goede waakhond. Op zekere dag werden schapen in de buurt van de boerderij dood aangetroffen. Grootvader was ongerust want vond schaapshaar in de hondendrollen van Max. Hij was erg bang dat dat zou uitkomen en dat hij de kosten zou moeten vergoeden van de boer. Grootvader die vaak pruimtabak “sjiekte” deed het toen nog wat meer dan anders maar was ook onverbiddelijk en Max moest er aan geloven.Grootmoeder vertelde dat hij al een “ende gesjiekt” had van hier tot Parijs…en zo kon hij er weer tegen…
Als de kinderen wat ouder werden moesten ze na schooltijd de koe “wachten” bij de graskant .De koe moest haar buik vol gegeten hebben van vader Alfons want hij kwam voelen als ze ‘s avonds thuiskwamen.
Als ze een boekje met huiswerk wilden lezen bonden ze soms de koe vast aan hun arm. Op een keer werd de koe opgeschrikt door jonge plaaggeesten uit de buurt en zoon Maurits werd zelfs een heel eind meegesleept en van huiswerk kwam er niets meer in huis…
In de oogsttijd moesten ze na schooltijd “houwtjes rapen “(aren lezen) op het korenveld van de boer. Ze kwamen nog maar op dat veld en waren al “vroed van de honger”. Als vader Alfons ‘s avonds van zijn werk kwam moesten ze nog meehelpen tot de zon onderging..Ze hadden wel boterhammen mee maar die waren al dadelijk opgegeten .
Als er veel aardappelen gerooid werden in de herfst moesten de kinderen tijdens het avondeten eerst veel aardappelen eten voor ze brood kregen van vader omdat het brood te duur was. Soms werd er aardappelpuree op het brood gesmeerd ,dat vonden de kinderen een lekkernij. Soms kregen ze ter afwisseling aardappelen met een korstje, gebakken op de” buizestove”. “Kazakken” of aardappelen in de pel gekookt stond ook op het menu en iedere avond was er karnemelkpap.

Als er meer kinderen kwamen moest er meer gedeeld worden, soms hadden de opgroeiende kinderen ‘s avonds nog honger .Ze stonden ‘s nachts op en kropen door het raam om rapen gaan eten in de herfst. Als er uitzonderlijk nog pap of andere etensresten op de stoof bleven staan kwamen de ratten dat opeten..
In de haringtijd kreeg ieder kind een halve haring en grootvader een volle. Odiel zag dat met lede ogen aan en verzekerde dat hij ook een volle haring zou krijgen als hij van school af was en ging werken .

Wereldoorlog
1914

Overstromingsgebied zevekote richting Sint-Pieterskapelle (Duitse oorlogsfoto)

Operatiegebied IJzer Wereldoorlog I

“ballon captif” waarnemingsballon van de Duitsers Vlaamse kustzone

Ondertussen was de oorlog uitgebroken en de gevolgen lieten zich ook in Zande voelen. De eerste Duitsers kwamen aan in Zande op 17 oktober 1914. Zande lag op een tiental km in vogelvlucht van de IJzervlakte die overstroomd werd..Het water kwam tot bij St. Pieterskapelle en aan de rand van Zevekote .Zande lag iets hoger en daar kwam het water net niet .Het gebied dicht bij het front, het zgn operatiegebied stond onder direct gezag van de Duitse overheid.Ergens in de buurt van het centrum van Zande was een “ballon captif ” opgehangen , dat was een uitkijkpost van de Duitsers om het IJzerfront in de gaten te houden. Af en toe werd die beschoten
Na de inval raadden de Duitsers grootmoeder aan om te verhuizen naar een veiliger gebied maar ze wist niet waar naartoe met de kinderen. Veel welstellende burgers waren al gevlucht en het werd gevaarlijk daar. Grootvader werd niet opgeroepen en gemobiliseerd want door de dienstplicht wet van 1909 moest er maar één zoon per gezin legerdienst doen en hij was bovendien al getrouwd in 1907.
Grootvader moest werken voor de Duitsers toen het reuzenkanon de Lange Max geïnstalleerd werd in de wijk Leugenboom op het grondgebied van Koekelare. Hij had toen nog niet leren fietsen en ging altijd te voet naar zijn werk. Iedere dag ging hij daar dus werken tot de site klaar was .Later tijdens de oorlog moesten de weerbare mannen verder van het front gaan werken.Hij zat ergens in Oost-Vlaanderen op een boerderij en Irma bleef met de vijf kinderen alleen achter .

Meranna Duinslaeger

Doodsprentje Isidoor Duinslaeger

Monument oorlogsslachtoffers WOI Zande

gedachtenis rouwdienst oorlogsslachtoffers WOI Zande

1915
Haar oudste zus Meranna Duinslaeger woonde ook in de buurt en was getrouwd met een twee jaar jongere broer van grootvader Alfons: Désiré Vandenbussche. Hij was peter van Georges die Nonkel “Diesten” moest nieuwjaren zoals dat de gewoonte was. Waarom hij georges heette weet ik niet, normaalgezien zou hij als oudste zoon de naam van zijn grootvader moeten krijgen maar die was al overleden…
Haar vader Isidoor was bijna 75 toen hij stervende was en als een echte natuurmens wou hij het liefst sterven op een matras in de buitenlucht. Meranna zag dat niet zitten en zei “Je kunt niet buiten want het regent te veel”. In werkelijkheid gooide ze water op het raam om de indruk te wekken dat het regende. Hij is dan maar in de keuken gestorven. Dat was op 10 mei 1915, een half jaar nadat de oorlog begonnen was. ( bidprentje)
Een half jaar later op 15 september 1915, nog altijd in het begin van de eerste wereldoorlog kwam haar man om door een shrapnel die hem trof in de hersenen . Irma hoorde dat en kwam toe lopen om te helpen. Ze besefte blijkbaar het gevaar niet want ze hield een emmer boven haar hoofd om zich te beschermen. Zijn doodsprentje vermeldt: “Haastig gestorven als eerste slachtoffer des oorlogs” Op een standbeeld voor de oorlog-slachtoffers in het centrum van Zande wordt zijn dood ook vermeld. Na de oorlog was er nog een gebedsdienst in de heropgebouwde kerk van Zande met een bidprentje ter herinnering aan de slachtoffers (zie bidprentje).

Doodsprentje Désiré Vandenbussche

eger met kinderen

Weduwe Meranna Duinslaeger met kinderen

Georges was zeven jaar oud toen zijn „nonkel Diesten” omkwam door het oorlogsgeweld.
Meranna was een moedige vrouw die later opnieuw trouwde met weduwnaar Doortje Vanmassenhove en samen hadden ze toen elf kinderen. Zij was bekend voor haar mildheid. Ze kon niets verbieden en de kinderen maakten daar misbruik van. Ook Irma’s kinderen kwamen daar vaak spelen. Veel mooi speelgoed werd kapotgemaakt. Ze had ook sommige oude boeken die werden meegegeven aan de geïnteresseerde pastoor als hij op bezoek kwam.

oorlogsmonument WOI Zande

Gemeenteschool Zande

Frans Masereel houtsnede over Wereldoorlog I “De doden spreken”

Frans Masereel houtsnede over Wereldoorlog I “De doden spreken”

Tijdens de eerste Oorlogswinter 1914-1915 was er geen sprake van het naar school gaan voor de Zandse jeugd. Een lokaal in de zusterschool in de Schouttetenstraat werd tijdens de bezetting opgeëist door de Duitsers die er een elektrische centrale inrichtten.
Alle andere schoolgebouwen werden door het Duitse leger bezet.. Veel kinderen werden straatkinderen. Ze vergaten het weinige dat ze hadden geleerd en speelden onder elkaar soldaatje. De kinderen aapten daarbij de Duitsers na, De bezetter vond het later niet langer een gezonde situatie dat de kinderen niet naar school konden en zomaar op straat leefden. Hij spoorde het gemeentebestuur aan om opnieuw onderwijs op te richten.
In de gemeenteschool was er een lazaret ingericht met drie bedden boven mekaar met de zwaarst gewonden onderaan.
Later werd er ook een kerkhof met een massagraf voorzien in Zande, soms waren er erg verminkte soldaten die niet meer gered konden worden, ze huilden nog en toch werden ze bij de doden gelegd…

1916
Moeder Irma bleef dus alleen achter tijdens de oorlog met de kinderen (Judith °1907),Georges (°1908) Odiel(°1910) Maurits(°1911) in het keuterboerderijtje .In 1916 was ze in verwachting van Margriet en alleen thuis. Op zekere dag klopte er een soldaat aan en vroeg om een glas water maar hij had blijkbaar andere bedoelingen.Hij probeerde haar aan te randen maar ze is kunnen ontvluchten door het raam. Dat is de Duitsers ter ore gekomen en het gezin werd verplicht te verhuizen naar de boerderij Vandecasteele in het centrum van Zande. Deze boerderij was verlaten door de boer en aangeslagen door de Duitsers .Moeder Irma mocht daar haar intrek nemen met de kinderen om er veiliger te zijn. Er was toen geen probleem om aan eten te geraken, ze kregen genoeg van de Duitsers. Zo konden ze overleven nu vader opgeeist was om te gaan werken in het “etappegebied” van Oost-Vlaanderen.

1917

Ook nog in het najaar van 1917 bleef de oorlog aanslepen maar het gewone dorpsleven ging zo goed en zo kwaad mogelijk verder, ook het kerkelijk leven in Zande. Zo viel het feest van de patroonheilige van de parochie, de H.Andreas, dat jaar op vrijdag 30 november.
De kerk van Zande is toegewijd aan de H. apostel Andreas, martelaar die stierf op een “Andreaskruis”, Het dorp vroeger bekend als “Cruyssande” was een bedevaartsoord voor de relikwie van het H.Kruis. Het was de gewoonten om rond die tijd, tevens het begin van de advent een “achtdaagse missie” te houden om het christelijk leven van de parochie te verdiepen. Iedere avond hielden de paters Redemptoristen een preek die de talrijke volwassenen op hun plichten wezen van huwelijkstrouw en de jeugd aanmaanden op kuisheid voor het huwelijk..De biecht werd bijzonder aanbevolen om de zonden uit te boeten en ook het gezin van grootvader Alfons nam daar aan deel.

Duitse soldaten vieren kerstmis in Zevekote (Duitse oorlogsfoto)

Op 3 december 1917 toen iedereen terugkeerde van de biecht en tevens het begin van de advent vierde zat het gezin nog wat samen rond de kachel. Georges had iets bijzonders bij zich van de soldaten dat hij gevonden had in de loop van de dag. Bij het haardvuur werd hij nieuwsgierig en speelde er wat mee. Was het misschien een kogel?
Moeder Irma gaf juist dochtertje Margriet melk en het jongere broertje Maurits zat er ook bij. Door de warmte ontplofte het ding met een luide knal. Georges schreeuwde het uit bij het zien van het bloed aan zijn rechterhand. Moeder was in paniek en zat daar met het jongste kind en had ook een lichte wonde aan haar hand. De kleine Maurits had enkel een paar schrammen opgelopen .De Duitsers die daar verbleven kwamen onmiddellijk af op dat geluid en geschreeuw en waren heel boos. Georges werd vervoerd met een kruiwagen naar een lazaret in de buurt .Tijdens de oorlog was de gemeenteschool een lazaret; daar werd zijn duim en een paar vingerkootjes geamputeerd; Hij heeft lange tijd met de arm omhoog in bed moeten blijven. Moeder moest ook iedere dag verzorging krijgen voor haar hand. Ook tijdens de kerstdagen moest Georges in bed blijven en zo leerde hij voor het eerst de kerstboom en de Duitse kerstliederen kennen. Hij kreeg er ook wat speelgoed en snoep, chocolade en sinaasappelen iets wat hij nog nooit gezien had… Hij bleef daarvoor de Duitsers ook altijd zeer dankbaar.
Een “oorlogstuig ontplofte in zijn hand ” luidt een officieel document dat aantoont dat vader Alfons na de oorlog een invaliditeitsvergoeding aanvroeg voor zijn zoon Georges als burgerlijk oorlogsslachtoffer.

Toen ik nog kind was vroeg ik vader hoe het kwam dat hij een verminkte hand had, maar ik kreeg nooit een overtuigend antwoord. Waren de herinneringen aan het ongeluk te pijnlijk?

Bewijs erkenning invaliditeit Georges Vandenbussche 1922

1918

Zusterschool Zande 1910

Georges werd 10 jaar .De jongens moesten tot in het jaar 1918 nog naar de meisjesschool gaan tot ze 12 jaar waren. Er waren drie nonnen in het totaal en er was een zuster bij die nog aan Irma en Meranna les had gegeven. Het was blijkbaar een “gendarme” die aan de oudsten lesgaf .Als de jongens naar de wc gingen vermaande ze om altijd naar boven te kijken ….Kort na de oorlog ging Georges naar de jongensschool in de gemeenteschool bij meester Dejonghe.
De Duitsers vertrokken uit Zande in oktober 1918.

Mathilde Duinslaeger getrouwd met bakker Van Tillo Antwerpen

Na de oorlog
Nadat het gezin in de oorlog een tijdje in het dorp zelf gewoond hadden keerde het na de oorlog terug naar het keuterboerderijtje.
Pa was 14 jaar als hij de lagere jongensschool verliet en ging dan een jaar werken bij boer Vanoverberghe. Als de boerenknechten in groep werkten verveelde hij zich niet, ze vertelden verhalen en maakte plezier maar als hij alleen moest werken bijvoorbeeld om de distels te “kappen” op het veld was dat voor hem uitermate eentonig werk. Er kwam geen einde aan, als je net rond was op de “stikken” moest je al opnieuw beginnen. In de winter moest hij de dieren verzorgen als poester en de stallen uitmesten. Hij was bang van de ossen want die konden je een ferme stamp geven…
De twee jaar jongere Odiel zorgde voor de paarden (een foto genomen in Zande )
Gelukkig kon Georges dan als hij vijftien was naar Antwerpen verhuizen om de bakkersstiel te leren bij zijn tante Mathilde Duinslaeger die getrouwd was met bakker Jef Van Tillo. Daar had Georges af en toe heimwee naar het landelijke Zande maar als hij aan de distels dacht was dat weer vlug over …Hij had vooral heimwee naar zijn kleine broers en zijn zusje Margriet, die zat zo graag op zijn rug als hij door de stikken liep terwijl broer Maurits haar meer plaagde en deugnietenstreken uithaalde.
Zo bonden ze een oude portemonnee aan een touwtje en staken zich weg in de gracht als er fietsers voorbijreden. Als ze stopten trokken we aan het koordje en de portemonnee was weg…

Als er zieken waren gingen ze naar dokter Wijnendale uit Gistel. Hij was goed en de mensen moesten maar betalen als ze geld hadden .Hij woonde waar nu “Hotel ten Putte” is in Gistel. Hij had een een koetsier die de koets al vroeg in gang moest zetten. De dokter liep er dan achter aan om geen tijd te verliezen op weg naar de zieken.
Kort na de oorlog werd Irma plotseling erg ziek door de beruchte Spaanse griep. Ze was pannenkoeken deeg aan het maken toen ze onwel werd, de deeg bleef staan en de hongerige kinderen aten dan maar de deeg op. Er was te weinig eten kort na de oorlog.

Ook tanden werden getrokken, Dokter Wijnendaele was geen tandarts maar zijn vrouw hield dan het hoofd vast van de patient en er vloeide veel bloed …
Ondertussen waren er in het christelijk gezin van Irma en Alfons nog meer kinderen bijgekomen : Marcel in 1920, René in 1921 Maria in 1922 en Martha in 1923.

Dokter Wynendaele redde het leven van Maria en René die een soort kinderverlamming opgelopen hadden. Rene hield er kortere voet aan over en moest speciale schoenen dragen en Maria had een lichtere arm en voet maar je merkte er bijna niets van.

Meester Dejonghe zorgde er ook voor om de invaliditeitsverzekering voor Georges te regelen, hij was geleerd en deed ook zelf verzekeringen. Hij was zelf een boerenzoon, getrouwd met Hoste uit de Mokker, deelgemeente van Koekelare. Meetje ging ook een keer per week naar de winkel van de familie Hoste met de boter van hun ene koe. ,Zij konden die naar de markt in Diksmuide brengen maar de opbrengst moest in winkelwaar besteed worden. In de winter verkochten ze de boter niet want dan werd de koe met rapen gevoed en de boter smaakte daardoor bitter en dan gebruikten ze die zelf. Later kon Irma de boter kwijt in Zevekote zelf, toen had ze al een fiets.

Kort na de oorlog had ze de verzekering ook weer nodig. Meetje was gewoon in de winter altijd de kleren binnen bij de kachel te leggen voor de warmte. Er lag op zeker moment ook een broek bij te drogen maar door de asse van het haardvuur vloog die in brand. Dat was niet zo erg maar meetje wilde dat de verzekering betaalde en het kon geregeld worden door meester Dejonghe want de Hostes verkochten ook broeken…
Als ik met vader of nonkel Odiel en ook nonkel Marcel sprak waren die vol heimwee naar die tijd in Zande die helaas voor goed voorbij was. De nostalgie naar de jeugdjaren maakte dat ze er zo graag over vertelden ook al hadden ze grote armoede gekend…Ze spraken zelfs met lof over het simpele eten dat ze daar gewend waren …Dat gevoel  herken ik  nu ik zelf oud geworden ben…

“Nu schrei ik zelf, en zie in het verschiet
De verre wolken waarom moeder schreide.—”
(uit “De Wolken” Martinus Nijhoff)
Voltooid Maandag  19 juni 2017, verjaardag Georges Vandenbussche (1908-2003)