Naar de spellewerkschool

Naar de spellewerkschool

Herinneringen aan grootmoeder Lucie Elslander

Grootmoeder Lucie voor haar huis.

Op zekere dag ontdekte ik als kind dat grootmoeder Lucie Elslander uit Koekelare niet kon lezen of schrijven. Tot dan toe vond ik het vanzelfsprekend dat iedereen geletterd was.

Kort na de oorlog woonden moeder en de kinderen zowat anderhalf jaar in Koekelare dicht bij haar ouderlijk huis. Ik zat in het vierde leerjaar en ging naar de vrije jongensschool dicht in de buurt. Na schooltijd kwam ik geregeld langs voor een praatje. Grootvader Alois Debou werkte toen nog en grootmoeder zorgde voor het huishouden. Ik toonde soms mijn schoolwerk aan haar, maar ik moest het altijd voorlezen en zo zag ik dat ze niet kon lezen. Toen dat later wel eens ter sprake kwam op school durfde ik dat niet vertellen aan mijn klasgenootjes, ik was daar te beschaamd over.

Tante Gudula Debou aan het spellewerken in de binnenplaats van het ouderlijk huis te Koekelare

.
Grootmoeder was kantwerkster van beroep, zo staat het op hun trouwakte vermeld. Als ze aan het “spellewerken” was zoals kantklossen heet in Westvlaanderen keek ik verbaasd hoe ze zo vlug kon werken met de spilleboutjes en de spelden van het kussen om de kloskant te maken op een blauw patroon, perkament genoemd. Ik stond ook vol bewondering te kijken als haar jongste dochter tante Gudula aan het spellewerken was om een frank bij te verdienen zo kort na de oorlog. Ook moeder had in haar jonge jaren de kunst van het kantklossen geleerd en veel later werd ze lid van de Kantklosclub in Gistel

Moeder en tante Gudula in de bovenste rij vierden vijfde van links



Ik hoorde grootmoeder soms haar beklag doen over het lage loon dat ze voor de afgewerkte kantstukjes maar kregen. Een deel van hun loon moest zelfs nog worden besteed in een textielwinkel in Koekelare om het garen aan te kopen. De textielhandelaar verkocht de werkjes dan in Brugge met een mooie winst. Dat gebeurde dus ook nog kort na de Tweede Wereldoorlog!

Kantwerkje gemaakt door Tante Gudula

Toen ik later verder studeerde en eens op bezoek kwam zei grootmoeder dat ik nu goed geleerd was en ze was trots op haar oudste kleinzoon.

Toen ik met pensioen was en mijn familie geschiedenis ging opzoeken in het Brugse Rijksarchief vond ik dat haar overgrootvader Pieter Elslander in de Franse tijd “hoodfdman” van het Land van de Vrijen tot Eerneghem” was. Het wereldlijke gezag in de parochie werd uitgeoefend door een hoofdman, bijgestaan door twee pointers, personen die vooral op basis van het grondbezit de belastingen van de gezinnen vaststellen.
Grootmoeders overgrootvader was dus een welgestelde man, een hoofdman die kon lezen en schrijven

Document uit het rijksarchief te Brugge uit de Franse tijd

Wat was er in die tussenliggende eeuw gebeurd?

“In West- en Oost-Vlaanderen heerste er ten gevolge van de opkomst van de fabrieken, een zware crisis in de lijnwaad huisnijverheid. Vanaf 1845 waren de aardappelen door een ziekte aangetast en was de opbrengst van dit bij uitstek volksvoedingsmiddel fel verminderd. Deze ziekte sleepte aan tot in 1850. Er werd veel armoede en honger geleden door de kleine mensen.
” Deze die nog werk hadden za­gen de prijs die betaald werd voor hun afgewerkte kanten met een vierde of nog meer verminderen. Daardoor groeide de armoede nog aan, want in de winter moesten zeer veel arbeidersgezinnen leven van de opbrengst van het spelle­werken, wanneer de man zonder werk was. Te Tielt was een belangrijke weverij stilgelegd, en op de lijnwaadmarkt die aldaar op 3 Maart gehouden was, werd slechts weinig lijnwaad verkocht ; ook was geen enkele Franse koopman afgekomen.”…

De grote uitbreiding van de kantnijverheid verontrustte het traditionele kantindustrie centrum Brugge. ’. Daarnaast beklaagde de Brugse handelskamer zich erover dat ‘zelfs aan de dorpsbengels het ‘spellewerk’ werd aangeleerd’. Anderen, zoals de Franse consul in Oostende, waarschuwden reeds in het jaar 1843 voor een nieuwe industriële ramp. De kantnijverheid was volgens hen gedoemd om aan de overproductie ten onder te gaan….
  Toch bleven de bestuurders van staat en provincie volharden in de stichting van nieuwe scholen en het verstrekken van toelagen allerhande. De kantindustrie kwam in een crisis terecht en zou in de periode 1847-1848 voor het grootste deel verantwoordelijk zijn voor de ellende in ‘Arm Vlaanderen’.(1)

Liedjeszanger aan het werk…

Dat er daar ook reactie op ontstond bij de bevolking merken we aan de teksten die de liedjeszangers op de markten zongen. Hier een voorbeeld uit Ieper dat gezongen werd op de wijze van de Brabançonne!

“A la vrienden wilt hier aenhooren,
En blyft een weinig staen,
Ik zalt u in korte gaen verklaeren,
Hoe het in dese stad zal vergaen,
Kantwerkster, gy mag het wel weten,
t’ Is van onze kante marchands,
Zy hebben lang genoeg ons herte uitgefreten, Bis
Deeze verkens moeten nu van kant. Bis, Bis.” enz (2)

                ****
Portret van mevrouw Courtmans

Per toeval hoorde ik onlangs op Klara radio uitleg geven over een straatnaam in Maldegem de “Courtmanslaan”.
Ik moet toegeven dat ik de naam van deze schrijfster wel kende maar geen van haar vele romans gelezen heb. Mevrouw Courtmans was sociaal bewust en ze wou de wantoestanden aanklagen uit die liberale periode. Een van haar boeken gaat over de kantscholen of spellewerkscholen. Dat boeide me omdat grootmoeder ook naar zo een spellewerkschool geweest was.

Courtmans beschrijft in haar werk ” De hut van Tante Klara” verschenen in 1865 , twaalf jaar na het bekende ” De hut van Oom Tom ” de wantoestanden in een spellewerkschool en de veranderingen die zij wil aanbrengen
In haar voorwoord :”Maar ik ken er, in tegendeel, die op eene schandelijke wijze hunnen invloed gebruiken om de kinderen der behoeftigen te hunnen voordeele te exploiteren; want niemand kan ontkennen, dat er in België kantscholen gevonden worden, die de schande uitmaken van een beschaafd land.”
Ze laat in haar roman een zekere mevrouw van Dooren een nieuw reglement voorstellen voor een op te richten lagere school.
“Art. 2. Buiten het kantwerken zullen de leerlingen onderwezen worden in al de vakken van het lager onderwijs.
Art. 3. De leerlingen, beneden de negen jaar, mogen slechts drie uren daags aan het kantwerk gebezigd worden; de overige uren van den dag worden in onderwijs en speeltijden verdeeld.

Art. 6. De kantgarens worden, volgens prijs van factuur, aan de leerlingen geleverd, zonder eenig voordeel voor de ondernemers.
Art. 7. Van de zuivere opbrengst der kanten, wordt den ondernemers eene winst toegestaan van zeven ten honderd.
Art. 8. De kosten van het onderwijs en het leeren van het kantwerken, blijven ten laste der ondernemers”

Kantwerksters in Brugge

Daardoor weten we dat er echte misbruiken van uitbuiting bestonden in de kantscholen. Er kwam natuurlijk commentaar van de goegemeente dat ook nu nog bekend in de oren klinkt in bepaalde kringen.

‘”‘Wat gij gedaan hebt? Wat gij doet? Gij laat de arme meisjes in de boeken leeren!’
Wel is het anders niet, mijn goede heer, van zulke zonde zal er wel vergiffenis te bekomen zijn,’ antwoordde de dame vriendelijk. ‘Ik meende dat gij mij gingt ten laste leggen dat ik een staatsaanslag had begaan.’

‘Wat gij gedaan hebt is nog erger. Gij ondermijnt de grondzuilen der samenleving. Gij jaagt de kleinen naar boven om de grooten neêr te ploffen. Gij wilt het ongedierte vleugelen geven, om met den arend naar boven te stijgen, en gij schijnt nog niet eens te begrijpen dat een enkele slag van zijnen klauw duizende van die insekten kan verpletten.’
Mevrouw Van Dooren schoot in eenen hartelijken lach.Weet ge wel dat die kinderen door in de boeken te leeren, eene weereld zullen leeren kennen, waarvan zij zich thans geen denkbeeld kunnen vormen.”

Uiteindelijk legde de gemeente zoveel beperkingen op de nieuwe school dat er van de hervormingen niet veel terecht kwam…

                                ****

Mevrouw Courtmans was niet de eerste auteur die zich het lot van de kantwerksters aantrok.

De Westvlaamse toneelschrijver Frans Carrein (°1816 Eernegem-+ Oostende1877) kwam in 1828 naar Brugge, waar hij zich als suikerbakker vestigde.. Aanvankelijk vertaalde hij stukken van populaire Franse schrijvers als Daubigny en Poujol. Later zou hij ook eigen stukken schrijven, vaak op Brugse thema’s. “Arm en Ryk”, een stuk met een sterke sociale inslag werd in 1851 verboden door de Brugse burgemeester. In de jaren 1850 leverde hij ook teksten voor het toneelgezelschap “Yver en Broedermin”, onder meer “Elisa de kantwerkster”, waarvan het kantwerksterslied erg in de smaak viel. Het muzikale toneelstuk werd nog vaak opgevoerd ook in Ieper, Gent en Brussel tot in het begin van de 20ste eeuw!
Het motto op de voorpagina van de toneeltekst liegt er niet om.
De Franse auteur Bernardin de Saint Pierre constateert: ‘Ils ont mille ruses pour les reduire à la plus petite paie possible, par exemple, de l’argent d’avance: et quand ils en ont fait des débiteurs insolvables, ce qui est l’affaire de quelques écus, alors ils les ont à leur discrétion.’

In het bijzonder viel hij de praktijk aan om geld te lenen aan de werklui als een middel om ze afhankelijk te houden.  Ze konden niet van werkgever varanderen omdat ze met schuld stonden bij hem.

Ach! hoe prachtig en hoe kunstig,
Is hy toch die blanke kant!
By haer die het lot was gunstig
Prykt hy eens naest diamant:
Hertogin of baronnesse,
Praelt er mede op bal en feest;
En ik, arme lyderesse,
Lyd aeen lichaem en aen geest.

Affiche voor een tentoonstelling van kant in Amsterdam

Het blijspel eindigt toch met een vrolijke noot in het refrein
“Laet rollen de flosjes,
En vlecht met uw draedjes,
En oogjes en naedjes,
Met lustigen zwier,
Op ‘t glib’rig papier.
Zy ritz’len en klotsen,
Zy tuim’len en botsen,
En glyden op ‘t kussen,
En ram’len en sussen;
Zoo ras en gezwind,
Als loof in den wind.”

Ook Guido Gezelle wijdde een gedicht aan de kantwerkster maar van kritiek is er hier zoals te verwachten geen sprake.
Een fragment :

fragment van het gedicht uit Tijdkrans

“Schaars genoeg om licht en leven
schamel dak en doek te geven
u, die kanten wijd en breed
werkt aan ‘t koninginnenkleed.
Vangen zult ge, o, schatten geene;
maar mijn hert, dat hebt ge, kleene,
vast gevangen in den draad,
dien gij van uw’ stokken laat.
Spellewerkend zie ‘k u geerne,
vingervaste, oudvlaamsche deerne;
die daar zit aan ‘t spinnen, met
‘t vlugge allaam, uw kobbenet.
Vangen zult g’… hoe menig centen
in die looze garenprenten,
die grij neerstig, heen en weêr
krabbelt, op uw kussen neêr?

Schaars genoeg om licht en leven
schamel dak en doek te geven
u, die kanten wijd en breed
werkt aan ‘t koninginnenkleed.
Vangen zult ge, o, schatten geene;
maar mijn hert, dat hebt ge, kleene,
vast gevangen in den draad,
dien gij van uw’ stokken laat.”

Besluit.

Ik vermoed dat de beschreven wantoestanden in het Liberale Koekelare uit die tijd niet veel beter waren.

Met de crisis stapt de Koekelaarse armenschool in 1840 naar een kantschool over. Dat schooltype dat bleef bestaan tot 1918 oriënteert de meisjes voor een eeuw naar deze nieuwe huisnijverheid. Tijdens het interbellum nog zijn er tal van kantkopers actief in de gemeente. Koekelaarse dames behalen dan zelfs hoofd- en ereprijzen voor hun kantwerk bij internationale prijskampen in Brussel (3)

Grootmoeder Lucie, geboren in 1889 ging op het einde van de 19de eeuw naar de spellewerkschool om er te leren werken en wat godsdienstles te volgen maar helaas niet om te leren lezen en schrijven.

Ik heb dus als oudste kleinzoon geen reden om beschaamd te zijn over de ongeletterdheid van mijn grootmoeder. Als er iemand beschaamd moest zijn waren date toenmalige liberaal/katholieke Belgsche bewindslieden en hun hedendaagse opvolgers!

IEPER ” Les Dentellières d’Ypres “

Nawoord:

Op een van mijn vele reizen in India bezocht ik een school waar katholieke zusters uit Vlaanderen de meisjes leerden spellewerken, kant die door hen verstuurd werd naar Brugge… Ter herinnering aan mijn familie van spellewerkers kocht ik daar een kantwerkje in Brugse stijl…

Brugse kant in India gemaakt…

Bronnen.

(1) “J. De Smet, De weerslag van de Franse Omwenteling van 1848 in West-Vlaanderen” in Handelingen Van Het Genootschap Voor Geschiedenis Brugge
(2) By the Poor, For the Rich: Lace in Context
Bridging the Gaps Between Archives, Textiles, and Social History Collections”By the Poor, For the Rich: Lace in Context”
by Nicolette Makovicky en David Hopkin

(v3) inventaris.onroerenderfgoed.be/themas/15762