Van een dorpsschooltje naar het Groot College in Oostende (schooljaar 1949-1950)

Van een dorpsschooltje naar het Groot College in Oostende (schooljaar 1949-1950)


Noot vooraf:

Priester Lucien Dewulf in Brugge als pastoor

Vrijdag 7 juli 2017 ben ik naar de begrafenis geweest van priester Lucien Dewulf, leraar aan het Oostendse O.L.V.- College van 1947 tot 1958. Hij was 94 geworden. Na zijn loopbaan als taalleraar in Oostende heeft hij later nog gewerkt in Kongo, Cuba en Peru. Toen ik in Lima was in de zomervakantie van 1982 heb ik nog mensen ontmoet die parochianen waren van Padre Luciano. Tijdens het muziekfestival FVV in Brugge ontmoette ik hem nu en dan nog in zijn Sint Walburgakerk. We hebben nog herinneringen opgehaald uit zijn tijd als jonge leraar en ik als eerstejaars.
Voor mij betekende hij veel toen ik na enkele jaren in de gemeenteschool van Sint-Pieterskapelle (mijn belevenissen daar komen later aan bod) voor het eerst in het groot college mijn weg moest zoeken. Een nieuwe wereld ging voor me open en het werd een van de gelukkigste jaren uit mijn jeugd…

De inschrijving

Toen ik zevende leerjaar bijna voltooid had, wat eigenlijk al een jaar teveel was in de nonnenschool van Sint-Pieterskapelle kwam de pastoor op bezoek bij ons thuis en raadde mijn ouders aan om me in het O.L.V.-College van Oostende te laten inschrijven voor de Latijnse afdeling omdat ik goed leerde. Ik was ook pas geslaagd voor het examen van het “Fonds van de Meestbegaafden”, waarmee kinderen van minder vermogende ouders een studiebeurs konden krijgen. Voor ons groot gezin zou dat erg goed van pas komen.

Hoofdingang O.L.V.-College Oostende

In de grote vakantie van1949, ik was toen net dertien jaar, reed ik samen met moeder met de tram naar Oostende. Ik zie me nog altijd erg verlegen staan aan de hoge ingangsdeur van het hoofdgebouw in de Vindictivelaan. Door de portier werden we naar de hall geleid en daar wachtten we onze beurt af. We kwamen binnen in een bureau en daar zat een jonge priester die ons verwelkomde, het bleek later Jozef Decleer te zijn, surveillant van de “boertjes”, zo genoemd door de “stadsratten”, de leerlingen van het stadscentrum.

Hall O.L.V.-COllege in 1950

Moeder moest mijn doop-en communie-akte voorleggen en dan werd ik ingeschreven in de Zesde Latijnse B waar de “boertjes” en de internen terechtkwamen. Ik zou in de zomer met de fiets naar het college komen maar in de herfst en winter met de tram. Decleer legde de weekverdeling uit . De schooldag begint om 8.30 met een korte studietijd gevolgd door de H.Mis, daarna volgt het lessenrooster van de dag. Tijdens de middagpauze wandelen we bij mooi weer soms in groep langs een vaste route via het park naar het strand. Daarna beginnen de lessen weer tot 16.30. Na een pauze begint de studietijd om 17 uur en duurt tot 19 uur. . Andere groepen die een tram of bus moeten halen mogen vroeger vertrekken na een signaal van de studiemeester. Ik moest blijven tot het einde want mijn tram vertrok maar om 19 uur. Dinsdag- en donderdagmiddag kregen we vrij.

Moeder kon ook tweedehandsboeken kopen voor de diverse vakken.
Toen ik thuiskwam was ik erg benieuwd om die boeken in te kijken, vooral het Latijn interesseerde me, een woordenlijst, een tekstboek en een spraakkunst, de “Gheerebaert”.
Ik kende al wat Latijnse woorden uit de mis want ik was misdienaar geweest en kende een aantal gebedsformules zoals ” Introibo ad altare Dei…”

Naar het groot college

 

Het was erg wennen toen het nieuwe schooljaar begon ergens halfweg september 1949 in de B-klas. Een paar leerlingen kende ik nog van uit Gistel kort na de oorlog, zoals de gebroeders Popelier en Paul Seghers en ook een paar internen, ondermeer de zoon van brouwer Christiaens uit Koekelare en de zoon van boer Mehuys uit de Spermaliehoeve in Slijpe.

Mijn klasleraar was priester Lucien Dewulf (roepnaam Rape ),voorspeld als zeer streng . Hij gaf 9 uur per week Latijn en ook nog Godsdienst, Geschiedenis en Muziek. De L.O.les bestond toen nog niet in het college. We kregen dus iedere voormiddag en soms in de namiddag Latijn en moesten iedere dag Latijnse woordenlijsten van buiten leren. Die lijsten werden opgevraagd en wee wie een onvoldoende had, die kreeg ervan langs, soms met het liniaal op de kneukels. Wat later volgden de moeilijke verbuigingen en vervoegingen. Langzamerhand leerden we Latijnse teksten lezen, ik deed dat heel graag en haalde heel goede cijfers. Toen we later in het schooljaar Latijnse teksten moesten vertalen zocht ik tijdens de studie soms lang in de Gheerebaert naar verklaringen van mogelijke afwijkende vormen, wat me een goedkeurende knik opleverde van surveillant Decleer.
Van het vak Godsdienst herinner ik me niets meer. Voor Muziek moesten we een blokfluit kopen ,wat me wel erg meeviel ,dat was de laatste les van de week op zaterdagmiddag. Nu had ik eindelijk zelf een muziekinstrument.
De lessen geschiedenis gingen over de Oudheid en dat was compleet nieuw voor mij, Ik kende in Sint-Pieterskapelle alleen Vaderlandse Geschiedenis en nu ging een nieuwe wereld voor me open, het geschiedenisboek, zelfs met slecht afgedrukte foto’s boeide me zeer.

Priester Werner Ruysschaert met bijnaam “Boeddha” die nogal kort en dik was gaf Nederlands en Frans; Voor Nederlands gebruikten we “Zuid en Noord” van de Jezuïeten met een mooie Vlaams Christelijke bloemlezing. Van de grammatica lessen herinner ik me ook niets meer… wel dat we af en toe een opstel moesten maken.
Het moeilijkste vak voor mij was Frans, niet alleen omdat de leraar zo vlug sprak en ook wat onduidelijk overkwam omdat de klank bleef hangen in zijn welgevuld wangen maar vooral omdat ik bij de nonnen veel te weinig Frans geleerd heb. In het begin verstond ik de leraar niet eens. Als ik eens hardop moest lezen lachten de leerlingen met me omdat ik het Frans zo slecht uitsprak. Voor teksten gebruikten we “Langue française “en voor grammatica “Exercices et themes” .De meeste leerlingen hadden een voorbereidend jaar gedaan in het “klein college” en waren veel beter voorbereid dan ik en er waren ook een aantal Oostendse Franssprekende leerlingen bij zoals Christiaens. Maar ik nam de uitdaging aan, op het einde van het schooljaar was ik de tweede van de klas voor Frans!

Wiskunde, dat wil zeggen Rekenkunde kregen we van de iets oudere priester Jozef Vanden Abeele… een kort gedrongen mannetje met een grote bril, wel vriendelijk, met dat vak had ik geen enkele moeite .

Aardrijkskunde was de opdracht van priester Alfons De Groeve, klasleraar van de zesde Latijnse A….
Dat vak boeide me erg ,maar we hadden geen handboek en de leraar dicteerde alles heel snel. Ik herinner me nog dat hij toen vol trots de geplande verlenging aankondigde van de autostrade met een viaduct over de polders van Oudenburg tot het centrum van onze stad via de spoorweg route langs het “Bosje”. De moderne tijd, het auto tijdperk!

Het dagelijkse ritueel

Iedere morgen gingen we naar de mis in de kapel, dat was een mis speciaal voor de “boertjes “, de internen en stadsleerlingen hadden al een mis gehad voordien. We keken uit wie van de leraren de mis zou doen, want er waren zoals blijkt toen uitsluitend priesters leraren in het college.
Na de mis gingen we onze boeken ophalen uit de studiezaal en via de trappen stapten we naar de klaslokalen; Mijn klaslokaal lag in de EB straat op de tweede verdieping. Opvallend was dat het schoolbord alleen een in het donkergroen geschilderd vlak was op de muur vooraan. Dat bracht natuurlijk veel krijtstof mee als het bord schoongemaakt werd.
Als de visvrouwen per abuis in die straat langskwamen met hun viskarretjes werd er altijd gelachen. “Versche platjes sien” hoorde je dan echo-en tot ze uit de straat verdwenen waren en de leraar wachtte even tot hij weer verder kon.

‘s Avonds was er studietijd en ik zat helemaal vooraan op een bank in de studiezaal vlak bij de “troon” van de surveillant.
De laatstejaars zaten achteraan en daar durfde ik nauwelijks te komen.
Onze vaste studiemeester was Jozef Decleer, “Kegge” in de wandeling, hij had een behoorlijk lange neus en een eerder nasale stem… Af en toe kwam er een vervanger
zoals de grote “Viertorre” Van Parijs of de kleine Valère Luca en er werd dan wel eens “geronkt”, of gezoemd als protest of als studentengrap. Ik was er erg verbaasd over dat die grote kerels dat durfden maar ik vond het toch laf van hen.

 

Iedere morgen kwam ik met de tram aan bij de halte Panorama, waar later het stadhuis gebouwd werd. De leerlingen die met de trein kwamen, bijvoorbeeld uit Gistel moesten een abonnement tweede klas nemen want in derde klas zaten gemene jongeren die ons op het slechte pad konden brengen. In de tram had je geen klassen voor zover ik weet en als ik ‘s morgens opstapte in Kapelle kwam ik soms terecht bij leerlingen uit Koekelare die naar de stedelijke vakschool of “den atenee” gingen en die vuile praat vertelden en waarachtig soms ook vuile manieren hadden, zo moest ik dan een half uur later naar de mis en de communie met mijn onvermijdelijke vuile gedachten. Zou ik dat biechten, want ik was niet gevlucht voor de gelegenheid tot zonde ?. Het was ook kort voor het referendum over de terugkeer van de koning en die van Koekelare waren tegen de terugkeer van de koning met de slogan “Stop Baels”, wat ik toen nog niet verstond.

Een keer per week tijdens de avondstudie moesten we een briefje opmaken bij wie we naar de biecht “begeerden” te gaan en dan werden we opgeroepen om voor een biechtstoel te gaan zitten in de kapel met een biechtvader naar keuze. Ik had Priester Jozef Verhelle als vaste biechtvader die altijd heel vriendelijk voor me was. Hij was de Poësis leraar en had heel veel invloed in het college en was ook de stichter van de sportclub Hermes! Het jaar voordien trok hij naar de Olympische spelen in Londen en vol enthousiasme teruggekeerd wou hij de jeugd enthousiast maken voor atletiek.
Tijdens dat schooljaar begon ook het jaar 1950 waar in Rome het Heilig Jaar gevierd zou worden; er werd een oproep gedaan om mee te gaan in de vakantie op jeugdbedevaart naar Rome en je kon inschrijven via de studiemeester, ik dacht er gewoon niet aan dat dit voor mij mogelijk zou zijn. Surveillant Decleer die later econoom van het college zou worden monkelde ” ik heb nog nooit zoveel geld samen gezien”…

Winter

In de winter was het al donker als ik naar de tram stapte na de studietijd van 19 uur en ik moest wachten tot 19.30 vooraleer de tram aan de halte Hazegras stopte vlak bij het station, ik had honger en de frietkramen op het stationsplein roken zo lekker, ik heb nog altijd die geur vast, ook het oude treinstation bestond nog vlak in de buurt, ik durfde niet ver weggaan van de halte, het was eigenlijk toen nog een louche buurt daar op het Hazegras en het mag nog een wonder heten dat ik nooit iets ergs beleefd heb als jonge tiener.

Pricipaal Verbeke

Als ik dan eindelijk drie kwart later in Kapelle aankwam stond moeder me op te wachten want het was nog een heel eind stappen naar ons huis in de Spermaliestraat zonder straatverlichting toen en dan pas kon ik warm eten.
Het was die winter behoorlijk koud en tot mijn verbazing mochten de oudste leerlingen als het voldoende vroor rond de middag “ijscongé” gaan vragen aan principaal Verbeke, we wachtten dan in spanning op de speelplaats en waren dolgelukkig als de lessen geschorst werden, ik kon dan een vroege tram nemen naar huis… Thuis kon ik dan mijn huiswerk maken in de “voorkamer” waar ik ook een tweedehands boekenkastje had staan. Ik begon langzamerhand boeken te verzamelen en te nummeren.

Speelplaats EB straat met kelder feestzaal onder de trappen

Scene uit de film over Pierino Gamba uit 1946

Scene uit de film “la belle et la bete van Jean Cocteau

“L’aiglon” of “Arendsjong van Edmond Rostand

Om de 14 dagen konden we naar een film kijken in de filmzaal in de kelder van het klein college.Dat was voor mij helemaal nieuw, naar een film kunnen gaan! Ik herinner me nog een paar films, de film van 1946 over het wonderkind Pierino Gamba die me erg fascineerde als dirigent, ik was weg van zijn muzikaal talent en was even oud als ik.
Ook de Disney film “Bambi” herinner ik me nog. Bij “La belle et la Bete” van Cocteau was ik echt bang bij de spookwandelingen in het kasteel van het beest..Kus scènes werden zedig afgedekt of geknipt zei priester Van Parys later nog toen hij collega was …
In februari had het jaarlijkse toneel plaats ,met enkel mannelijke acteurs, enkele onderwijzers en een paar begaafde laatste jaars speelden toen “Arendsjong “van Edmond Rostand en we mochten met de “boertjes” de generale repetitie bijwonen, dat was voor mij ook iets bijzonders.

Bij het begin van de jaarlijkste vastenperiode ,had er traditioneel een driedaagse retraite plaats. De lessen werden geschorst en vervangen door extra misvieringen en “preken” door gespecialiseerde paters die ons leven op het rechte pad moesten houden. Tussendoor was er in de studietijd geestelijke lectuur voorhanden…De studiemeesters hadden het druk en waren soms wat te druk bezig met het opleggen van het silentium, ik kreeg op zeker moment op weg naar de kapel een klap van studiemeester Henri Vanhoutte in mijn gezicht, die eigenlijk bestemd was voor een babbelzieke buurman. De zonden tegen het zesde en negende gebod kwamen uitvoerig aan bod tijdens de preken. Voor al die pubers was dat de hoofdreden om geregeld naar de biecht te gaan en de kunst was om de zonde zo te formuleren zodat de biechtvader er niet te veel vragen bij hoefde te stellen.
De examenperiodes per trimester waren voor mij ook nieuw, je kreeg twee examens per voormiddag en in de namiddag mocht je thuis studeren wat voor mij niet altijd makkelijk was in dat grote gezin, maar toch werden de resultaten steeds beter…

In mei kon ik mee op schoolreis met de boot naar Antwerpen en we keerden terug met de trein. Toen we bijna in Oostende waren trok er een snoodaard aan het noodsignaal ,de trein stopte met een snok en een langdurig fluitsignaal weerklonk, zo bleven we wel een uur wachten tot de dader gevonden werd die later uit het college verwijderd werd.

Einde schooljaar

Op het einde van het schooljaar had de jaarlijkse prijsuitdeling plaats in de feestzaal. Het begon met de zesde klassen en ik werd de tweede in de zesde Latijnse B. Ik was trots op mijn resultaat na een jaar hard studeren om de achterstand uit de dorpsschool in te halen.
Van Priester Dewulf kreeg ik ook de prijs voor goed zedelijk gedrag en een erelintje van mijn klasleraar, maar die had juist toezicht en stond achteraan in de zaal, ik stond op en wou naar achteren gaan en dat veroorzaakte een lachbui in de zaal, uiteindelijk kreeg ik vooraan het speldje van een collega klasleraar…beschaamd ging ik terug naar mijn plaats…de braafste zijn was geen eer…

Bij de laatste les Latijn konden we ook al een woordenlijst Grieks krijgen om in de vakantie ons wat voor te bereiden, dat boeide me zeer, maar ik wist dat ik niet naar de vijfde Latijnse zou gaan omdat ik perse in het onderwijs wou. De pastoor vertelde mijn ouders dat alleen priesters lesgaven in het katholieke middelbaar onderwijs en ik wou toch zeker later niet in een staatsschool lesgeven, ik moest dus naar de Torhoutse normaalschool .Ik vreesde ook wel een beetje dat het college van een voorbeeldige knaap een priester wilden maken zoals dat zo vaak gebeurde in die tijd en daar voelde ik me absoluut niet waardig genoeg voor.

Ik zat heel graag in het college en ik was er ook graag gezien, het was een van mijn gelukkigste jaren uit mijn tienerjaren maar de teerling was gevallen, de terugkeer was niet meer mogelijk…

Tijden veranderen bleek achteraf, en via allerlei omwegen ben ik dan toch in hetzelfde college leraar talen geworden eerst in de lagere en later in hogere jaren maar dat is een ander verhaal…

 

.